De meest gestelde vragen over de meerwaardebelasting – beleggingen
Bij Bank Van Breda besteden we de grootste zorg om u bij te staan bij het maken van de juiste financiële keuzes. Bij het maken van die keuzes kunnen we niet voorbij aan de fiscale implicaties en gevolgen. Nu de regering een akkoord bereikt heeft rond de meerwaardebelasting worden ook wij overspoeld met vragen over eventuele gevolgen voor de gekozen beleggingsstrategie. We bundelden de meest gestelde vragen en geven meteen ook enkele inzichten mee die u kunnen helpen bij het maken van de juiste keuzes.
Basisprincipes van de nieuwe meerwaardebelasting
Hoeveel bedraagt het tarief van deze belasting?
Het tarief van de belasting bedraagt 10 procent.
Ze is van toepassing op meerwaarden die vanaf 1 januari 2026 worden gerealiseerd bij de verkoop van ‘financiële activa’.
Welke verrichtingen vallen onder de belasting?
De belasting wordt geheven bij het realiseren van een meerwaarde naar aanleiding van een ‘overdracht onder bezwarende titel’ van een financieel actief – het gaat dan onder meer over verkooptransacties.
Wie valt onder de belasting?
Ik beleg via mijn venootschap. Moet ik op de meerwaarden die mijn vennootschap realiseert de meerwaardebelasting betalen?
De belasting is van toepassing op particulieren met fiscale woonplaats in België, evenals op vzw’s en stichtingen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting – behalve als zij fiscale attesten voor giften kunnen afleveren.
Belgische vennootschappen en niet-inwoners vallen niet onder deze regeling. Voor vennootschappen geldt immers de vennootschapsbelasting, die door het wetsontwerp niet wordt gewijzigd. Voor niet-inwoners blijft de belastingheffing van hun woonstaat gelden.
In geval van een gesplitste eigendom (vruchtgebruik/naakte eigendom) zal de naakte eigenaar de belasting verschuldigd zijn.
Overdrachten zonder belasting & uitzonderingen
Wat bij schenkingen en erfenissen?
De meerwaardebelasting is van toepassing op meerwaarden die gerealiseerd worden naar aanleiding van een overdracht onder ‘bezwarende titel’.
Zowel erfenissen als schenkingen worden niet beschouwd als transacties die aanleiding geven tot een meerwaardebelasting. Toch kunnen ze van belang zijn bij een latere verkoop. Bij een overlijden wordt erfbelasting betaald op de nalatenschap. Op dat moment is er geen meerwaardetaks verschuldigd. Verkoopt de erfgenaam de effecten later, dan wordt voor de meerwaarde naar de oorspronkelijke aankoopkoers gekeken. Uiteraard is de startdatum ook hier ten vroegste 31 december 2025.
Bij een schenking ligt dat anders. Hier is wel de oorspronkelijke aanschafwaarde van toepassing. Ook in dit geval is de startdatum ten vroegste 31 december 2025.
Verder zullen ook uitonverdeeldheidtredingen of inbrengen in de huwgemeenschap geen aanleiding geven tot de nieuwe meerwaardebelasting.
Concreet: Schenkingen en nalatenschappen zijn uitgesloten van de belasting, maar brengen wel een overdracht van de fiscale latentie met zich mee.
Welke overdrachten zijn vrijgesteld (uittreding uit onverdeeldheid, inbreng in huwgemeenschap)?
Intresten die u van uw bank ontvangt op een zichtrekening, een spaarboekje en/of een termijnrekening zijn niet onderworpen aan de meerwaardebelasting. Eveneens vrijgesteld zijn meerwaarden van uw pensioenspaarfonds, een pensioenspaarverzekering of uw langetermijnsparen en uw aanvullend pensioen dat u bij uw werkgever of via uw vennootschap opbouwt.
Inkomsten die geen meerwaarde zijn en/of al belast werden via de roerende voorheffing ontsnappen eveneens. Het gaat dan bijvoorbeeld over dividenden, intresten of coupons. Daarop geldt de bestaande roerende voorheffing van 30 procent.
Welke meerwaarden worden dan wel geviseerd? Het gaat om meerwaarden van:
- financiële activa (fondsen, obligaties, ETF’s, aandelen….),
- verzekeringsproducten (TAK 21, TAK 23)
- cryptoactiva en
- valuta (incl fysiek goud)
Berekening van de belastbare meerwaarde
Hoe wordt de belastbare meerwaarde berekend?
De berekening van de belastbare meerwaarde is vrij complex. In grote lijnen komt het neer op het verschil tussen de verkoopprijs van het actief en de aankoopprijs voor de verkoper (of voor de persoon die het actief aan hem schonk of naliet).
Wat is de regel rond historische meerwaarden (waarde 31/12/2025)?
Er is een uitzondering voorzien om de vrijstelling van meerwaarden die vóór 1 januari 2026 zijn ontstaan (‘historische meerwaarden’) te behouden. Voor activa die een belastingplichtige op 1 januari 2026 al in bezit heeft, zal de toekomstige meerwaarde berekend worden op basis van de waarde op 31 december 2025 – en niet op basis van de oorspronkelijke aankoopprijs.
Voorbeeld: In 2022 kocht u een aandeel voor 40 euro. Op 1 januari 2026 heeft u het aandeel nog in portefeuille. De waarde op 31 december 2025 bedraagt 90 euro. In 2027 verkoopt u het aandeel voor 100 euro. De belastbare meerwaarde bedraagt 10 euro (100 – 90), niet 60 euro (100 – 40).
Wanneer geldt de uitzondering rond de oorspronkelijke aankoopprijs?
Er is ook een uitzondering op de uitzondering rond historische meerwaarden, in uw voordeel: als de waarde op 31 december 2025 lager ligt dan de oorspronkelijke aankoopprijs, mag toch die hogere aankoopprijs in aanmerking worden genomen.
Voorbeeld: In 2022 kocht u een aandeel voor 40 euro. Op 1 januari 2026 bezit u het aandeel nog, en de waarde op 31 december 2025 bedraagt 10 euro. In 2027 verkoopt u het aandeel voor 100 euro. De belastbare meerwaarde bedraagt dan 60 euro (100 – 40) en niet 90 euro (100 – 10).
Opgelet: deze mogelijkheid om de oorspronkelijke aankoopprijs te hanteren geldt enkel voor verkopen die plaatsvinden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet, dus vóór 31 december 2030. Daarna wordt de waarde op 31 december 2025 altijd als referentie genomen.
Wordt de volledige meerwaarde dan belast aan 10%?
Als belegger hebt u recht op een jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro, die jaarlijks geïndexeerd wordt. Gezien het belastingtarief 10% bedraagt, levert deze vrijstelling een fiscaal voordeel van maximaal 1.000 euro per jaar op.
De vrijstelling kan jaarlijks, voor een maximale periode van 5 jaar, met 1.000 euro stijgen als u ze niet gebruikt. De maximale vrijstelling komt zo op 15.000 euro te liggen.
De vrijstelling kunt u alleen gebruiken door aangifte te doen van uw meerwaarden in uw belastingaangifte. De bank zelf zal er geen rekening mee houden en sowieso de 10% belasting op de meerwaarde afhouden.
U moet alle meerwaarden aangeven, ook de eventuele meerwaarden die al belast werden door uw bank. Liggen de totale meerwaarden lager dan 10.000 euro, dan geniet u van een volledige vrijstelling en kan u eventueel betaalde belastingen recupereren.
Liggen de aangegeven meerwaarden hoger dan 10.000 euro, dan zult u de belasting op die vrijgestelde schijf van 10.000 euro recupereren. Opgelet: de terugbetaling van de belasting ontvangt u mogelijk pas twee jaar later, na de verwerking van uw aangifte.
De vrijstelling geldt per persoon. Als koppel kan u dus jaarlijks van een vrijstelling van 20.000 euro genieten. Gaat het om meerwaarden van beleggingen die behoren tot het gemeenschappelijke vermogen (gehuwd onder wettelijk stelsel of algehele gemeenschap) dan is er altijd een vrijstelling van minstens 20.000 euro, ook al worden de meerwaarden gerealiseerd op een rekening die op één van beide echtgenoten staat.
Bent u samenwonend of gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen dan heeft u ieder een vrijstelling van 10.000 euro.
Voorbeeld: U heeft een portefeuille privé als koppel van 1.000.000 euro op 31/12/2025.
Eind 2026 staat de portefeuille op 1.050.000 euro. U kan dan overwegen om 40% van de portefeuille te verkopen eind 2026, zijnde 420.000 euro, waarbij u als koppel een belastingvrije meerwaarde realiseert van 20.000 euro.
Stapt u begin 2027 terug in, dan zal de aankoopwaarde verhogen naar 420.000 euro + 600.000 euro, zijnde 1.020.000 euro.
Opgelet: bij latere verkopen geldt het FIFO-systeem. Er zal dus nog altijd eerst gekeken worden naar de meerwaarde ten opzichte van de oorspronkelijke 600.000 euro.
Een andere manier om de taks te vermijden is verliesposities te verkopen in een jaar waarin u ook substantiële meerwaarden realiseert.
In hoeverre wordt ook rekening gehouden met de minwaarden, kosten en taksen bij verkoop?
Minwaarden op beleggingen zullen in beperkte mate aftrekbaar zijn. Dit kan enkel indien de minderwaarde gerealiseerd werd door dezelfde persoon, in hetzelfde jaar. Een ‘overschot’ aan minwaarden kan niet terug- of overgedragen worden naar andere jaren.
Kosten en taksen verbonden aan de aankoop, het aanhouden of de verkoop van de activa – zoals de beurstaks (TOB), de taks op effectenrekeningen of bewaarloon – zijn niet aftrekbaar.
De minwaarden die u bij verkoop realiseert, kan u aftrekken van de meerwaarde. U kan de gerealiseerde minwaarden alleen in mindering brengen van de meerwaarden die u in hetzelfde jaar realiseert. Er is ook geen overdracht mogelijk indien de minwaarden hoger zijn dan de meerwaarden in een bepaald jaar. De aftrek van minwaarden verloopt via de belastingaangifte. U als belegger moet die minwaarden aangeven.
Relatie met bestaande belastingen
Valt de Reynders-taks op gemengde fondsen dan weg?
De Reynders-taks blijft behouden. Deze belasting van 30% is van toepassing op de meerwaarde bij de verkoop van beleggingsfondsen, voor zover die meerwaarde voortkomt uit obligatiebeleggingen binnen het fonds.
De twee regimes zullen naast elkaar bestaan, maar niet cumulatief van toepassing zijn. Het obligatiegedeelte blijft belast aan 30%, terwijl de nieuwe belasting van 10% alleen geldt op het resterende deel van de meerwaarde. Zo wordt dubbele belasting vermeden.
Inning en administratie van de belasting
Hoe wordt deze nieuwe belasting betaald?
Het wetsontwerp voorziet in twee opties voor de inning van de belasting: het opt-in of opt-out regime. Evenals voorziet het ontwerp een overgangsperiode tussen 1 januari 2026 en de goedkeuring van de wet.
Wat is de inhouding van de bevrijdende roerende voorheffing (opt-in regime)?
De inhouding van de bevrijdende roerende voorheffing is de standaard-inningsmethode.
De bank of de verzekeringsmaatschappij zal een roerende voorheffing van 10% inhouden op elke gerealiseerde meerwaarde via de bank of verzekeraar, voor klanten die onder de nieuwe belasting vallen.
Deze voorheffing is bevrijdend: ze ontslaat u van de verplichting om de meerwaarde in uw belastingaangifte op te nemen. Zo vermijdt u een mogelijk zware administratieve last en behoudt u uw discretie ten aanzien van de fiscus.
Bij de inhouding van deze voorheffing kunnen sommige elementen echter niet in rekening worden gebracht door de banken of verzekeraar – zoals de jaarlijkse vrijstelling op de eerste schijf van 10.000 euro aan meerwaarden, of de aftrek van minwaarden van hetzelfde jaar.
In dat geval kan u het eventueel te veel ingehouden bedrag recupereren via de belastingaangifte. Er gaat dus geen enkel recht verloren. De bank zal u alle nodige informatie bezorgen om deze terugvordering op een eenvoudige manier te regelen.
Wat houdt het opt-out regime in?
U kan er ook voor kiezen om geen roerende voorheffing te laten inhouden: dat is het zogenaamde opt-outregime.
Deze keuze kan afzonderlijk per rekening of verzekeringscontract worden gemaakt, telkens op verzoek van alle titularissen van de rekening of alle begunstigden van een verzekeringscontract, en geldt voor een volledig kalenderjaar. De keuze kan slechts eenmaal per jaar worden herroepen, en dan pas met ingang van het volgende jaar.
U verbindt zich er in dat geval toe om zelf alle gerealiseerde meerwaarden van de betrokken rekening of verzekeringscontract op te nemen in uw belastingaangifte. De bank en verzekeringsmaatschappij zijn op hun beurt verplicht
om automatisch een reeks gegevens over te maken aan de fiscus, zoals de namen, adressen en rijksregisternummers van alle rekeninghouders en begunstigden, alsook het totale bedrag aan gerealiseerde meerwaarden op de rekening.
U vermijdt enkel de voorafbetaling van de belasting, maar moet daar een aanzienlijke administratieve last én een verlies van discretie tegenover stellen.
Wanneer wordt de nieuwe meerwaardebelasting betaald?
De meerwaardebelasting geldt voor verrichtingen vanaf 1 januari 2026, maar zal pas later in 2026 worden goedgekeurd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
Tijdens de overgangsperiode – van 1 januari tot en met de tiende dag na de publicatie van de wet – mogen banken geen roerende voorheffing inhouden op meerwaarden die in die periode worden gerealiseerd. Het is dan in principe aan de belastingplichtige om deze meerwaarden aan te geven.
Gelukkig voorziet de wet dat banken hun klanten, na de goedkeuring en publicatie van de wet, alsnog kunnen voorstellen om een bedrag in te houden dat overeenkomt met de roerende voorheffing op de meerwaarden gerealiseerd tijdens deze overgangsperiode. Deze inhouding zal dezelfde juridische waarde hebben als een echte roerende voorheffing en dus de belastingplichtige vrijstellen van verdere aangifteverplichtingen.
Zodra de wet is goedgekeurd en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, neemt Delen Private Bank op het gepaste moment opnieuw contact op met de klanten die tijdens deze overgangsperiode meerwaarden hebben gerealiseerd – op voorwaarde dat zij op dat moment nog klant zijn van de bank – om hen deze mogelijkheid alsnog aan te bieden.
Het mag duidelijk zijn: de nieuwe belasting brengt heel wat vragen met zich mee. Gelukkig hoeft u zich geen zorgen te maken. Bank Van Breda zorgt ervoor dat alles voor u zo eenvoudig mogelijk verloopt. We volgen de ontwikkelingen nauwgezet en houden u op de hoogte.
Specifieke situaties
Ik heb een maandelijks beleggingsplan lopen en er zijn natuurlijk verschillende aankoopkoersen. Hoe word ik dan belast bij een verkoop?
Heeft u als klant privé een maandelijks beleggingsplan lopen, dan zijn er natuurlijk verschillende aankoopkoersen. Hoe wordt u dan belast bij een verkoop?
Er wordt verondersteld dat de eerste aankopen ook het eerst verkocht worden (FIFO = first in, first out)
Opgelet: gaat het over aankopen van voor 31/12/2025 die vanaf 2026 met een meerwaarde verkocht worden, dan berekent u best de gemiddelde aankoopkoers van de verkochte stuks om na te gaan of deze hoger ligt dan de koers op 31/12/2025.
Voorbeeld: In 2023 kocht u 240 stuks aan een gemiddelde aankoopkoers van 75 euro, in 2024 200 stuks aan 90 euro en in 2025 225 stuks aan 80 euro
In totaal werden er 665 stuks aangekocht voor een bedrag van 54.000 euro. Gemiddelde aankoopkoers = 81,20 euro
Indien de koers op 31/12/2025 hoger ligt, laat u de meerwaarde bij een verkoop best berekenen op deze hogere koers. Ligt de koers lager, dan kan u beter de werkelijke aankoopkoers hanteren mits u voor 2031 verkoopt.
Opgelet: Verkoopt u niet alle stuks, dan dient u wel de berekening te maken volgens de FIFO-methode.