Blog Bank Van Breda

Verschillende generaties artsen in dezelfde praktijk: een rem of troef?

Geschreven door Barbara Claeys | 19-jan-2026 9:38:17


Dokter Jean Creplet begon zijn loopbaan als ingenieur, werd vervolgens arts en specialiseerde zich in cardiologie. Hij stond aan het hoofd van de dienst geneeskunde van het Bracops-ziekenhuis en van de dienst cardiologie van het CHU van Charleroi. Hij is auteur van talrijke publicaties. Hoe ervaart hij als doorwinterde arts-specialist de generatiemix van artsen? Een boeiend gesprek.


"Ook vandaag blijf ik, met de nodige afstand, nadenken over dit beroep dat ik zo graag beoefen. Over zijn evoluties en zijn paradoxen."
Dokter Jean Creplet

 

U hebt zelf een andere periode in de geneeskunde meegemaakt, maar hoe kijkt u naar de evenwichtsoefening die jonge artsen vandaag maken?

Jean Creplet: ‘Ik begrijp dat verlangen naar evenwicht tussen werk en privéleven volledig. Ook al was medisch workaholisme in mijn tijd de norm, ik heb dat nooit als een last ervaren. Ik voelde me als een vis in het water. Wachtdiensten van 72 uur, eindeloze werkdagen… dat was onze realiteit die we zonder morren aanvaardden.

Ik zie vooral een vrijheid die zich anders uitdrukt naargelang de tijdsgeest. Elke generatie heeft haar eigen beperkingen, dominante ideeën en technische uitdagingen. Vandaag geven jonge artsen invulling aan hun vrijheid door tijd op te eisen voor zichzelf, voor hun naasten en voor hun mentale gezondheid. Dat is een gezonde reflex.

Ik heb altijd gedacht dat we een denkkader nodig hebben om de complexiteit van de geneeskunde te begrijpen: de plaatsen waar we werken, de bureaucratische lagen, de politieke sferen. Dat kader helpt mij om jonge artsen beter te begrijpen en verder te kijken dan generatieconflicten. Want wat ons verbindt — onze passie voor zorg — is veel sterker dan wat ons scheidt.’

Hoe hebt u de administratieve last zien evolueren tijdens uw carrière?

Jean Creplet: ‘In het begin was administratie een kwestie van persoonlijke discipline: dossiers, brieven, verslagen. Gaandeweg is de administratie en bureaucratie zich gaan opstapelen en begonnen ze onze handelingen, beslissingen en houding te sturen. Dat is de wet van Parkinson: eerst creëren ze ruimte, daarna verlammen ze.

Ik ben niet tegen administratie. Maar vandaag worden artsen vastgebonden door procedures die hen van hun patiënten verwijderen. Informatica die ons zou moeten helpen, is een controle-instrument geworden. Ze vormt onze manier van denken, vaak ten koste van de menselijke relatie. Dat fenomeen beperkt zich niet tot de geneeskunde: in alle sectoren worden mensen op het terrein verpletterd door richtlijnen van bovenaf.

Wat mij verbaast, is de tolerantie tegenover dergelijke ontsporingen. De overheid oefent via medische software een sterke invloed uit op het denken van artsen. Soms met goede bedoelingen, maar vaak met perverse effecten. We moeten opnieuw klinische moed tonen: durven beslissen wat goed is voor de patiënt, zonder langs allerlei goedkeuringstrajecten te moeten passeren.
Toch blijf ik optimistisch. Ik geloof dat de gebruikers — wij, de artsen — uiteindelijk zullen eisen dat de tools beter aangepast en intelligenter worden. Het is aan ons om na te denken over onze prioriteiten en over wat we willen beschermen: klinische tijd, luisterbereidheid en medisch oordeelsvermogen.’

Wat vindt u van de ‘patiëntenstop’ bij sommige jonge artsen?

Jean Creplet: ‘Ik kamp met gemengde gevoelens. Sommigen weigeren nieuwe patiënten om de kwaliteit van hun werk te vrijwaren. Anderen blijven op elk moment beschikbaar. Dat brede spectrum aan houdingen is normaal. Wat ik verdedig, is een geneeskunde die toegankelijk, menselijk en duurzaam is.

Wat mij zorgen baart, is het idee dat men een patiëntenstop zou rechtvaardigen in naam van kwaliteit, zonder naar alternatieven te zoeken. We moeten organisatorische evenwichten vinden, nadenken over bezetting, taakverdeling en het verstandig inzetten van technologie. En vooral: de diversiteit aan praktijken behouden.’

Hoe kunnen we in deze context een toegankelijke en duurzame geneeskunde garanderen?

Jean Creplet: ‘Een belangrijke vraag. Eeuwenlang is spontane solidariteit voorafgegaan aan institutionele solidariteit. Ons zorgsysteem, zoals het sinds 1944 is opgebouwd, respecteert die diversiteit. Het laat iedereen — arts én patiënt — toe zijn plaats te vinden, in functie van overtuigingen, noden en middelen.

Maar die vrijheid moet beschermd worden. Dat vergt een versterking van solidariteit door vrijheid, en van rechtvaardigheid door een beter begrip van de respectievelijke rollen van overheid en zorgverleners. Elke van bovenaf opgelegde, uniforme en rigide oplossing leidt tot uitersten. Kijk naar het Britse gezondheidssysteem: de NHS staat aan de rand van de afgrond. Patiënten die het zich kunnen veroorloven, komen zich liever in België laten behandelen.’

Jonge artsen ervaren meer druk. Is dat een kwestie van tolerantie of van organisatie?

Jean Creplet: ‘Ik denk niet dat het om een lagere tolerantie gaat. De excessen van eindeloze wachtdiensten moesten worden aangepakt, en het is positief dat stagiairs vandaag voldoende hersteltijd krijgen. Maar we moeten een onderscheid maken tussen twee soorten belasting: de medische belasting die voortkomt uit beschikbaarheid voor patiënten en de administratieve belasting, opgelegd door vaak absurde procedures.

Artsen en verpleegkundigen horen bij de patiënten te zijn, niet achter schermen. Die boodschap is moeilijk hoorbaar te maken, omdat bureaucraten talrijk en invloedrijk zijn.’

Neemt burn-out toe bij artsen, en treft het vooral jonge artsen?

Jean Creplet: ‘Dat is een delicate vraag. Ik denk dat er altijd artsen zijn geweest die het moeilijk hadden. Geïsoleerde zorgverleners die zich niet goed voelen in hun rol, om uiteenlopende redenen. Dat is niet nieuw. Wat wel nieuw is, is dat er vandaag meer over gesproken wordt – en dat is een goede zaak.

Een psychiater uit de jaren 30 zei ooit dat bepaalde ziekten een weerspiegeling zijn van een samenleving die niet goed functioneert. Ik denk dat slechte hiërarchische verhoudingen, in de geneeskunde maar ook daarbuiten, een belangrijke oorzaak zijn van burn-out. Tegelijk mogen we niet vergeten dat ons beroep per definitie onvoorspelbaar is. Elke patiënt brengt zijn eigen verrassingen, voorkeuren en reacties mee. Dat vraagt van de arts een voortdurende aanpassing. Daarvoor is een zekere persoonlijke ingesteldheid nodig.

Menselijke relaties zijn fundamenteel: met patiënten, collega’s, verpleegkundigen en andere zorgprofessionals. Daarnaast zijn er de sociale, administratieve en politieke krachten. Dat is veel om te dragen voor mensen op het terrein. We zijn diep betrokken bij wat onze patiënten overkomt. In tegenstelling tot wat sommigen denken, dragen artsen hun beslissingen lang met zich mee. Er wordt vaak gezegd dat we twee begraafplaatsen in ons hoofd hebben: die van “ik had moeten” en die van “ik had niet mogen”. Dat zijn gedachten die ons soms nog lang na een beslissing blijven achtervolgen.

En toch leren we niet om bescheiden te zijn. Zeggen: “Ik begrijp het niet, ik ga het aan iemand anders vragen” maakt geen deel uit van de medische cultuur. Dat is jammer.
Gelukkig bestaan er initiatieven. De vereniging Arts in nood begeleidt artsen die het moeilijk hebben: burn-out, depressie, isolement. Ze biedt coaching en preventie aan. Dat is een waardevolle aanpak die steun verdient.’

Hoe kijkt u naar de verschillen tussen generaties artsen? Zijn die een rem of een troef?

Jean Creplet: ‘In een vrije samenleving verzachten positieve ervaringen de minder goede. Ik had het geluk om verschillende contexten te kennen: ziekenhuizen van het openbaar net in Brussel en Charleroi, een privépraktijk, een polikliniek van Chirec. Na tien jaar werd ik geconfronteerd met een leeftijdsgrens in het reglement. Dat heb ik toen moeilijk verteerd. Maar achteraf bekeken heeft het mij de kans gegeven om opnieuw te beginnen, in een praktijk dichtbij huis, geleid door een jongere collega. Hij was dertig jaar eerder mijn stagiair in de cardiologie. Dat zijn toch prachtige verhalen tussen generaties.

Ik geloof sterk in complementariteit. Als jonge arts was ik enthousiast over nieuwe technieken. Met de jaren ben ik voorzichtiger geworden. Vandaag nemen tweede adviezen toe, vooral bij complexe behandelingen bij ouderen. Dat dwingt alle generaties om samen na te denken en standpunten te confronteren.

Maar er bestaan ook hardnekkige vooroordelen. In sommige medische hiërarchieën voelt men zich superieur aan anderen. Aan de universiteiten zeggen sommige professoren na zes jaar studie tegen pas afgestudeerden: “jullie zijn dokters van niets”. Specialisten kijken soms neer op huisartsen, huisartsen bekritiseren specialisten, en specialisten bekritiseren elkaar. Dat zijn infantiele houdingen die geen plaats hebben in een beroep waar samenwerking essentieel is.’

Het informele netwerk tussen artsen lijkt te verdwijnen. Welke rol speelde dat in uw praktijk?

Jean Creplet: ‘Het informele netwerk is essentieel. Het draait rond de patiënt die de schakel vormt tussen de verschillende artsen. Vroeger volstond een klein briefje om het belangrijkste door te geven. Dat was eenvoudig, menselijk en efficiënt. Ik geloof nog altijd in zulke kleinschalige netwerken, ontstaan vanuit de mensen zelf, zonder zware administratie.

Vandaag circuleren foto’s van verslagen of medicijndoosjes via smartphones. Dat is een nieuwe vorm van communicatie, maar ze blijft persoonlijk. Wat ik mis, zijn de spontane contacten: telefoontjes tussen huisartsen en specialisten, informele gesprekken. Digitalisering heeft de coördinatie gestructureerd, maar ook afstandelijker gemaakt.’

De geneeskunde is sterk vervrouwelijkt. Heeft dat invloed op de manier van werken?

Jean Creplet: ‘Onevenwichten moeten worden rechtgezet en de vervrouwelijking van de geneeskunde is een goede zaak. Maar dat is niet eigen aan ons beroep. In alle sectoren hebben vrouwen moeten vechten om meer evenwicht te brengen. Het patriarchaat blijft dominant, en machisme is niet verdwenen.

Hoe meer vrouwen in het medisch management aanwezig zijn, hoe groter de kans op meer rust en een andere manier van leidinggeven. Vrouwen willen soms meer tijd voor hun kinderen en hun privéleven. Dat is heel gezond. Dat beïnvloedt uiteraard de manier waarop het beroep wordt ingevuld, maar hopelijk in positieve zin.’

Wat verbindt de generaties artsen, ondanks hun verschillen?

Jean Creplet: ‘Wat ons verbindt, is de passie voor het vak. Die passie uit zich echter verschillend, afhankelijk van het karakter. Sommige artsen zijn gefascineerd door techniek, zeer sterk in hun specialisatie, maar minder gericht op de menselijke relatie. Anderen zijn er vooral voor het contact en de band met de patiënt, soms ten koste van klinische strengheid. Iedereen houdt van zijn beroep, maar vanuit een andere invalshoek.

Wat ons ontbreekt, is een gedeeld inzicht in de maatschappelijke krachten die op ons beroep inwerken: politieke, commerciële en administratieve. We moeten leren ons daartoe te verhouden. En dat begint met dialoog onder elkaar.

Huisartsen hebben vandaag bijvoorbeeld een versterkte positie. Ze verdienen beter en spelen een centrale rol. Hun kracht ligt in hun netwerk en hun vermogen om patiënten naar de juiste specialisten door te verwijzen. Maar dat gebeurt nog te weinig. Waarom? Omdat de contacten tussen huisartsen en specialisten moeilijk verlopen. Nochtans is dat een piste die verder ontwikkeld moet worden.

Ook specialisten zouden hun kanalen opnieuw moeten openen en beter met elkaar communiceren. Want uiteindelijk stellen we ons allemaal dezelfde vragen: “Wat kan ik voor deze patiënt doen?” en “hoe kan ik ook tijd voor mezelf bewaren?” Dat evenwicht vinden is niet eenvoudig, maar wel essentieel.’

Tot slot

Jean Creplet: ‘Geneeskunde is een beroep van vrijheid. Vrijheid van oordeel, van beslissing, van relatie, altijd gekoppeld aan verantwoordelijkheid. En die vrijheid moet er ook zijn voor de patiënt. Dat is precies de rijkdom van het Belgische systeem: de diversiteit aan praktijken, zorgomgevingen en benaderingen. Wilt u een zeer technisch onderlegde arts? Die vindt u. Verkiest u een meer collectieve, toegankelijke setting? Ook die bestaat.

Die keuzevrijheid, voor arts én patiënt, is een kostbaar goed. En het is precies die vrijheid die ons, ondanks spanningen, zal toelaten dit beroep te blijven uitoefenen met passie, menselijkheid en verantwoordelijkheidszin.’

 

Meer weten over generatieverschillen?

Dit interview maakt deel uit van een ruimer onderzoek naar generatieverschillen bij medische vrije beroepen. Lees  hoe jong en oud elkaar versterken en samen de zorg van de toekomst vormgeven.

Ontdek het volledige onderzoek hier